Theorie

Verlichting en geluidssignalisatie

Verlichting en geluidssignalisatie

De verplichte lichten

Dimlichten

De dimlichten zijn de hoofdlichten die gebruikt worden om te zien en gezien te worden zonder andere weggebruikers te verblinden.

Verplicht inschakelen: Verplicht in de duisternis (van zonsondergang tot zonsopgang). Verplicht wanneer het zicht minder dan 200 meter bedraagt:

  • Bij regen
  • Bij mist
  • Bij sneeuwval
  • Andere omstandigheden die het zicht beperken (rook, onweer, eclips...)
Opgelet:
Het niet inschakelen van de dimlichten vormt een zware overtreding.

Grootlicht

Het grootlicht (koplampen) zorgt voor maximale verlichting op onverlichte wegen.

Verbod op gebruik:

  • Wanneer de weg doorlopend en voldoende verlicht is om op 100 meter te kunnen zien
  • Als je het risico loopt tegemoetkomende weggebruikers te verblinden
  • Wanneer je een voertuig volgt op minder dan 50 meter zonder onmiddellijke intentie het in te halen
  • Bij het naderen van een spoorvoertuig of boot die tegemoetkomt

Stadslichten

De stadslichten geven het minste licht maar signaleren de aanwezigheid van het voertuig.

Automatisch inschakelen: Wanneer je de dimlichten of het grootlicht inschakelt, gaan gelijktijdig aan:

  • Vooraan: de twee witte of amberkleurige stadslichten
  • Achteraan: twee rode lampen

Mistlichten achteraan

Verplichte uitrusting: Een auto moet uitgerust zijn met één of twee rode mistlichten achteraan.

Verplicht inschakelen:

  • Bij mist met zicht minder dan ongeveer 100 meter
  • Bij sneeuwval met zicht minder dan ongeveer 100 meter
  • Bij hevige regen

Facultatieve lichten

Mistlichten vooraan

De mistlichten vooraan zijn niet verplicht op een auto. Sommige auto's hebben er zelfs geen.

Gebruik alleen toegestaan bij:

  1. Mist
  2. Sneeuwval
  3. Hevige regen

Ze kunnen de dim-/grootlichten vervangen of gelijktijdig worden ingeschakeld.

Parkeren en stoppen

Verplichte lichten bij parkeren

Tussen zonsondergang en zonsopgang, en in alle omstandigheden waarbij het zicht beperkt is tot minder dan 200 meter moet je inschakelen:

  • Vooraan: één of twee witte of amberkleurige stadslichten
  • Achteraan: één of twee rode lichten

Uitzondering in bebouwde kom

In bebouwde kom kun je de stadslichten vervangen door een parkeerlicht wanneer:

  • Het voertuig evenwijdig aan de rijbaanas geparkeerd staat
  • Er geen aanhangwagen aan gekoppeld is

In dit geval mag alleen het parkeerlicht aan de kant van de rijbaanas worden ingeschakeld.

Facultatieve lichten bij parkeren

Bij mist, sneeuwval of hevige regen mag je de dimlichten of mistlichten vooraan gebruiken, maar dit is niet verplicht.

Knipperlichten

De vier richtingaanwijzers mogen alleen gelijktijdig worden ingeschakeld in 3 precieze gevallen:

  1. Panne: Wanneer je auto in panne staat
  2. Onmiddellijk gevaar: Om andere weggebruikers het risico van een dreigend ongeval te signaleren
  3. Schoolbus: De bestuurder schakelt de knipperlichten in wanneer hij kinderen laat in- of uitstappen
Verboden
Het inschakelen van de waarschuwingslichten om slecht parkeren te signaleren vormt een bijkomende overtreding.

Schoolbus

Wanneer een schoolbus gestopt is om studenten te laten uitstappen:

  • De bestuurder moet de vier richtingaanwijzers inschakelen
  • Bestuurders die naderen moeten hun snelheid sterk verminderen
  • Ze moeten stoppen indien nodig
  • Ze zijn toegestaan de bus voorzichtig in te halen

Geluidssignalisatie (Claxon)

Algemene regels

  • Gebruik van andere geluidssignalen dan die voorzien door het reglement: VERBODEN
  • Geluidswaarschuwingen moeten zo kort mogelijk zijn, zonder overdrijving

Gebruik van de claxon

Overdag

In bebouwde kom EN buiten bebouwde kom:

  • Om een noodzakelijke waarschuwing te geven om een ongeval te vermijden

Alleen buiten bebouwde kom:

  • Als het nodig is een bestuurder te waarschuwen die men op het punt staat in te halen

Tussen zonsondergang en zonsopgang

Alleen bij onmiddellijk gevaar

In andere gevallen moeten geluidswaarschuwingen vervangen worden door kort en afwisselend gebruik van grootlicht en dimlichten (lichtsignalen).

Tunnels

Verplichte verlichting

In een tunnel waar het zicht minder dan 200 meter bedraagt, moet je je dimlichten gebruiken.

Evacuatieprocedure

Als er dikke rook in een tunnel is of brand, moet je:

  1. Tot stilstand komen op de rechterrijstrook
  2. De sleutel op het contact laten (of de transponder in de auto, bij voorkeur op de bestuurdersstoel)
  3. De tunnel verlaten via een nooduitgang en je tegen de rijrichting in begeven

Reden: De ventilatoren van de tunnel duwen de rook in de rijrichting.

⚠️ GEVAAR: Verlaat snel de plaats want de rook is vaak dodelijk en het risico van "flash fire" neemt toe met de intensiteit van de brand.

Controlelampjes op het dashboard

Kleurcode

GROEN of BLAUW: Signaleren simpelweg welke lichten aan zijn GEEL-ORANJE: Waarschuwingslampjes die een te controleren element signaleren (ook de kleur van het mistlicht achteraan lampje) ROOD: Alarmlampjes die stoppen en dringende interventie vereisen

Belangrijkste punten om te onthouden

Dimlichten verplicht: duisternis + zicht < 200m ✅ Grootlicht verboden: verlichte weg, verblindingsrisico, voertuig < 50m ✅ Waarschuwingslichten alleen: panne, onmiddellijk gevaar, schoolbus ✅ Claxon overdag: noodzakelijke waarschuwing (+ inhalen buiten bebouwde kom) ✅ Claxon 's nachts: alleen onmiddellijk gevaar ✅ Tunnels: dimlichten verplicht, evacuatie tegen rijrichting in

Veelvoorkomende overtredingen:

  • Dimlichten niet inschakelen (zware overtreding)
  • Waarschuwingslichten gebruiken voor slecht parkeren
  • Claxon gebruiken 's nachts zonder onmiddellijk gevaar